vrijdag 21 september 2007

Antwoorden

p4 Land van duizend meningen



Oriëntatie


Opdracht 1
a – Sommige mensen verlaten vroegtijdig de school of willen/kunnen niet leren.
– Er is een toestroom van oudere ongeschoolde allochtonen.
b De overheid heeft als taak om alle Nederlanders een bepaalde zekerheid in het leven te geven. Daarbij hoort ook voldoende onderwijs.

Opdracht 2
a
Groep 1850 2000
Bejaarden eigen vermogen, giften van familie, kerk of particuliere liefdadigheidsinstellingen AOW, pensioen, eigen vermogen, aandelen, lijfrente
Werklozen eigen vermogen, giften van familie, kerk of particuliere liefdadigheidsinstellingen WW-uitkering, eigen vermogen, (zwart werken?)
Studenten ouders, eigen vermogen ouders, studiefinanciering, inkomsten uit parttime werk
Ambtenaren salaris van overheid salaris van overheid, andere verdiensten (aandelen enz.)
Politici ander werk, (onkostenvergoeding van overheid), eigen vermogen salaris van overheid, (andere kleine inkomsten)
Gezinnen met kinderen inkomsten uit werk, giften, eigen vermogen inkomsten uit werk, uitkeringen, kinderbijslag enz.

b In 1850 kon de Nederlands burger niet of nauwelijks rekenen op financiële steun van de overheid. Men was vooral afhankelijk van eigen inkomsten of van ondersteuning door kerk of particulieren.

Opdracht 3
1 Verzorgingsstaat / Zorgzame samenleving
2 Verzuiling
3 Dolle Mina
4 Liberalen
5 Staten-Generaal
6 Europese Unie

Opdracht 4
a Hoofdvraag 2. In deze vraag gaat het om het ‘mondig worden van de burgers’. Als je mondig bent, heb je een mening.
b Bijvoorbeeld: stemmen bij verkiezingen, actief worden in de politiek, demonstreren op het Binnenhof, brieven of e mails sturen aan politici.

Opdracht 5
a In de politiek waren geen arbeiders actief; de overheid vond niet dat zij de problemen van de gewone mensen moest oplossen.
b Bijvoorbeeld:
– De grondwet van 1848: de koning moest macht afstaan ten gunste van het volk (ministers).
– Het Kinderwetje van Van Houten uit 1874: een teken dat de overheid zich een beetje met de sociale zekerheid ging bemoeien.
– De introductie van de Algemene Ouderdomswet (AOW) in 1957: onderdeel van de Nederlandse verzorgingsstaat na 1945.



§1 De overheid staat aan de zijlijn


Opdracht 6
a Nederland kreeg zonder een revolutie een nieuwe (democratische) grondwet en een koning die afstand deed van een groot deel van zijn macht.
b De ministers waren voortaan politiek verantwoordelijk, de Tweede Kamer werd nu rechtstreeks gekozen, in de grondwet werden nieuwe vrijheden opgenomen (vrijheid van godsdienst, onderwijs, drukpers, vereniging en vergadering).
c De politieke verantwoordelijkheid van de ministers; de man in het midden (minister-president Kok) geeft antwoord op de vraag of prins Willem Alexander met Maxima wil trouwen (‘Ja, hij wil’). Tegenwoordig heeft de regering invloed op de partnerkeuze van een lid van het koninklijk huis.

Opdracht 7
a De grondwet van 1848 maakte een einde aan een aantal tradities; de macht van de koning werd bijvoorbeeld beperkt. De conservatieven wilden meer veranderingen tegenhouden.
b De (protestants-christelijke) antirevolutionairen en de (rooms )katholieken.
c Rond 1880 nam het aantal arbeiders door de industrialisatie sterk toe. Omdat de liberale overheid weinig aan de problemen van de arbeiders wilde doen, groeide de belangstelling voor het socialisme. De opkomst van het socialisme was daardoor een reactie op het liberale beleid (met weinig aandacht voor economie en het sociale vraagstuk).

Opdracht 8
a Ter gelegenheid van 1 mei, de Dag van de Arbeid.
b De tekenaar hoorde bij de socialistische stroming.
Argumenten: hij tekent arbeiderskinderen; de tekening komt uit het socialistische blad De Sociaal-Democraat; 1 mei is een feestdag van de arbeidersbeweging en het socialisme.
c Ja, de tekening laat kinderen zien die een goede toekomst tegemoet gaan (bloemen, zwaaien).

Opdracht 9
Politieke stromingen reactie op inhoud partijen leiders
Liberalen vrees voor grote overheidsbemoeienis vrije ontwikkeling van de mens, overheid moet zich niet met economie bemoeien, democratische grondwet Liberale Unie Thorbecke
Conservatieven reactie op liberale grondwet van 1848 macht van koning en kabinet behouden, overheid moet opkomen voor economische belangen – –
Confessionelen (antirevolutionairen) antigodsdienstige ideeën van de Franse revolutie inhoud van de bijbel naleven, geen grote staatsinvloed ARP Groen van Prinsterer, Kuyper
Confessionelen (katholieken) achterstelling katholieken achterstelling ongedaan maken, opkomen voor christelijke (katholieke) geloof RKSP Schaepman, Nolens
Socialisten armoede en werkloosheid onder arbeiders ideeën van Marx uitvoeren, (later) maatschappij via parlementaire weg veranderen, betere arbeidsomstandigheden, invoering kiesrecht SDB, SDAP Domela Nieuwenhuis, Troelstra

Opdracht 10
a De schoolstrijd was een strijd om de betaling van het onderwijs en ging (vanaf 1870) tussen liberalen en confessionelen. De confessionelen wilden eigen christelijke scholen stichten. Zij kregen hiervoor geen overheidsgeld, maar moesten wel belasting betalen voor het openbaar onderwijs. Confessionelen wilden dat alle scholen, openbaar en christelijk, door de overheid zouden worden betaald.
b 1848: Nederland krijgt een nieuwe (democratische) grondwet. Vanwege het censuskiesrecht mocht maar tien procent van de (mannelijke) bevolking stemmen.
1884: Aanpassing van de kieswet. Ook mannen met een bepaalde vorm van geschiktheid en welstand mochten nu stemmen. Het aantal kiezers steeg naar 25 procent van de mannen.
1892: Tak van Poortvliet komt met een nieuw wetsvoorstel. Zijn voorstel om alleen bedeelden en vrouwen uit te sluiten van kiesrecht werd niet aangenomen.
1896: Voorstel van Van Houten. Het censuskiesrecht werd aangepast, waardoor nu de helft van de mannen mocht stemmen.
c De liberalen kwamen met voorstellen om de kiesdrempel te verlagen. Dat betekende dat ze het kiesrecht ook onder minder rijke mannen wilden verspreiden.
d Door de industrialisatie kwamen er steeds meer burgers zonder rijkdom. De liberalen wilden voorkomen dat deze groepen voor andere partijen zouden kiezen.

Opdracht 11
a Rond 1850 bemoeide de overheid zich alleen met burgers als de orde en veiligheid in gevaar dreigden te komen. Vergelijk haar rol met een nachtwaker die ’s nachts met een lamp door de stad loopt om te kijken of er rust en orde heerst.
b In 1874 is hij niet langer een voorstander. De overheid moet volgens Kappeyne van de Copello een actievere rol gaan spelen in het sociale leven (‘... hen alles verschaffen ... om hun het volle genot der beschaving te verzekeren’). Hij vindt de oude rol van nachtwaker gedateerd.
c Kappeyne van de Copello zag ook dat door de groei van het aantal arbeiders de sociale problemen toenamen. Als de overheid bleef toekijken, konden die problemen een gevaar voor de (liberale) maatschappij gaan vormen.

Opdracht 12
a Sommige (progressief-)liberalen vonden dat de overheid zich actiever moest opstellen in sociale kwesties. De overheid was bang voor een oproerige arbeidersklasse.
b Door de Arbeidswet van 1889 werd de arbeidsinspectie ingevoerd; richtlijnen werden nu op naleving gecontroleerd. Verder werd de arbeidstijd voor vrouwen beperkt. Het algemene belang lag in de grotere toezichthoudende rol van de overheid.
c In de brief moeten de volgende elementen aan de orde komen.
– Doelstellingen en politieke opvattingen: de SDB was een socialistische partij die fanatiek opkwam voor de belangen van de arbeiders. Mogelijke adviezen: controle op naleving van de Kinderwet en toezicht op de arbeidsomstandigheden van volwassen arbeiders, de invloed van de overheid op het sociale leven vergroten, werkgevers die afspraken niet nakomen harder aanpakken.
– Tijdvak: in de brief moet rekening worden gehouden met het feit dat een actieve overheid in 1887 nog niet gewoon was. Arbeiders werden vaak nog aan hun lot overgelaten. De SDB wilde een radicaal andere aanpak met een grote rol voor de overheid.
– De slechte arbeidsomstandigheden: beschrijf schrijnende gevallen van kinderarbeid, geef voorbeelden van slechte behandeling in fabrieken en van werkgevers die zich onmenselijk opstellen.
– Het doel van de Arbeidsenquête: in de brief moet je benadrukken dat een nieuwe wet beter nageleefd moet worden, dat daarop gecontroleerd gaat worden (en dat er consequenties moeten volgen voor werkgevers die de richtlijnen niet naleven).
– Het taalgebruik rond 1887: het taalgebruik was in die tijd nog erg formeel (Geen ‘hallo’ of ‘doei’ maar bijvoorbeeld: ‘Mijne heren’, ‘In afwachting van uw antwoord’, ‘Met de meeste hoogachting’). Gebruik in de brief ook woorden die de socialistische SDB in 1887 gebruikt zou kunnen hebben, bijvoorbeeld: ‘revolutie’, ‘klassenstrijd’, ‘proletariërs’ en ‘kapitalisten’, ‘uitbuiting’ enz.
Onderteken de brief met de naam en handtekening van de voorzitter.

Opdracht 13
Deelvraag 1: Nederland was vanaf 1848 een parlementaire democratie, maar het stemrecht werd beperkt tot een klein aantal rijke mannen. De liberalen profiteerden van deze politieke verandering en waren rond 1850 de belangrijkste politieke groepering.
Deelvraag 2:
– Liberalen: vrije ontwikkeling van de mens staat centraal, overheid moet zich daarom niet/nauwelijks met de economie en het sociale leven bemoeien, voorstander democratische grondwet.
Conservatieven: tegen liberale grondwet van 1848, macht van koning en kabinet moet groot blijven, overheid moet opkomen voor economische belangen.
Confessionelen (antirevolutionairen): tegen ideeën van de Franse Revolutie, burgers moeten de inhoud van de bijbel naleven, tegen grote staatsinvloed.
Confessionelen (katholieken): achterstelling katholieken in samenleving ongedaan maken, opkomen voor christelijke geloof.
Socialisten: armoede en werkloosheid arbeiders bestrijden, (aanvankelijk) revolutionaire ideeën Marx uitvoeren, (later) veranderingen maatschappij via parlementaire weg bereiken.
Deelvraag 3: Nieuwe partijen zoals SDB en SDAP dwongen de (liberale) overheid tot een actievere rol in het maatschappelijke leven. Dat leidde bijvoorbeeld tot maatregelen in de sociale sector (Wet op de Kinderarbeid, Arbeidswet) en op het terrein van kiesrecht (voorzichtige uitbreiding van het kiesrecht onder mannen).

1 F. Domela Nieuwenhuis
2 S. van Houten
3 Koning Willem II
4 A. Kuyper
5 J.R. Thorbecke



§2 Het begin van sociale politiek (1990-1930)


Opdracht 14
a Rond 1900 vonden er veel ongevallen plaats in bedrijven en arbeiders waren hiervoor niet verzekerd. De uitvoering van de wet werd voor een groot deel betaald door de werkgevers; de invloed van de overheid in het sociale leven bleef daardoor beperkt.
b Ja, de liberalen waren rond 1900 tegen een al te sterk regelende overheid en ook de confessionelen wilden de invloed van de overheid in het sociale leven beperkt houden.
c Voor het eerst erkende de overheid dat zij verantwoordelijk was voor bepaalde taken in de maatschappij (met name op het gebied van onderwijs en sociale zaken).

Opdracht 15
a Er ontstonden gecentraliseerde nationale vakbonden; de socialistische vakbeweging ging meer overleggen om successen op sociaal terrein te behalen.
b Antirevolutionairen: onenigheid over sociale politiek en kiesrechtvraagstuk.
Liberalen: meningsverschil over de rol van de staat en het tempo van sociale vernieuwing.
Katholieken: ook interne verdeeldheid, wel actief bij invoering sociale wetten.
Socialisten: verdeeldheid over omgang met niet-socialistische partijen en over keuze tussen principes en (gewenste) resultaten. Onenigheid met feministen over vrouwenarbeid.

Opdracht 16
a De overheid moest wennen aan het feit dat ze niet meer de rol van ‘nachtwaker’ kon spelen. De acceptatie van een meer verantwoordelijke en verzorgende positie duurde tientallen jaren.
b In de uitspraak moet de wanhoop en frustratie over de traagheid van de besluitvorming doorklinken. Bijvoorbeeld: ‘Als deze wet eindelijk wordt aangenomen, heb ik waarschijnlijk geen uitkering meer nodig!’

Opdracht 17
a De strijd voor betere arbeidsomstandigheden, de schoolstrijd en de strijd voor het algemeen kiesrecht.
b Argument uit paragraaf 2.2: het ondersteunen van vrouwenkiesrecht kon de invoering van het algemeen mannenkiesrecht in gevaar brengen.
Andere redenen: men vond dat de vrouw vooral een taak in het gezin had en niet in de politiek; vrouwen waren in hun politieke voorkeur wat behoudender dan mannen.
c Versneld: tijdens de Eerste Wereldoorlog moesten vrouwen ook allerlei mannentaken uitvoeren (onder andere in fabrieken), waardoor zij na de oorlog ook in de politiek meer inspraak eisten.
d Nee, een stoere arbeider vormt het middelpunt van het affiche. De arbeider gaat op het affiche bovendien de strijd aan met onderwerpen die eerder met mannen dan met vrouwen in verband gebracht worden (oorlogsleed, anarchie, kapitalisme).

Opdracht 18
a Veel kiezers wantrouwden de SDAP vanwege Troelstra’s (mislukte) revolutiepoging in 1918. De invoering van het vrouwenkiesrecht leverde vooral de confessionele partijen extra stemmen op. Veel christelijke kiezers bleven toch trouw aan de confessionele partijen.
b De confessionelen hadden de meerderheid in het parlement en zij hadden aanhang onder alle lagen van de bevolking.
c De ARP. De leider van de ARP, Colijn, was vijf keer minister-president en had grote invloed op de politiek van de jaren dertig en op het bestrijden van de economische crisis.

Opdracht 19
a De burgers werden mondiger en lieten via politieke partijen of op straat hun mening meer horen. De overheid reageerde op die toegenomen mondigheid door verschillende kwesties bespreekbaar te maken.
Christelijk en openbaar onderwijs kregen vanaf 1917 evenveel geld en in 1919 werd het algemeen kiesrecht ingevoerd. Bijna alle politieke partijen waren tevreden met deze (duo)oplossing.
b Tussen 1900 en 1930 werd een begin gemaakt met een vorm van sociale wetgeving. Vooral rond 1919 kwamen enkele belangrijke veranderingen tot stand: in het kiesrechtstelsel, het onderwijs en de sociale zekerheid. Na 1920 trad weer een vertraging op in de ontwikkeling van de sociale wetgeving.
c Uit 1929: pas na 1919 ging de overheid meer aandacht besteden aan voorzieningen zoals de sociale woningbouw.

Opdracht 20 (Onderzoeksopdracht: ‘Weg met het Plan’)
a Voorbeeldschema:
bron partij negatieve of positieve reactie belangrijkste opmerkingen
13 ARP negatief grondslag van het plan (koopkrachttheorie) klopt niet; het plan is socialistisch met een te grote rol van de overheid (‘ál-regelenden staat’)
14 RKSP negatief koopkracht stijgt niet door het plan; het plan schept geen welvaart; koopkracht vooral afhankelijk van economische ontwikkeling in omringende landen
15 Vrijheidsbond negatief en positief niemand kan economische ontwikkeling voorspellen; overheid moet staatsgezag/orde handhaven; werklozen opnemen in leger en vloot; geen invloed van vakbonden in openbare organisaties
16 VDB negatief beleggers steken geen geld in het plan

b Bij het opstellen van het alternatieve plan moet gedacht worden aan de doelstelling van de partij (confessioneel of liberaal) en de inhoudelijke reacties op het Plan van de Arbeid. De partijen van bron 13 tot en met 16 waren tegen een te grote invloed van de overheid. De confessionele partijen waren bovendien voor meer samenwerking tussen werkgevers en werknemers.
De nieuwe naam van het plan moet overeenstemmen met de doelstellingen van de partij waarvoor gekozen is en met de inhoud van het (alternatieve) plan.
c De propagandatekening moet aansluiten bij wat in opdracht 20b is opgeschreven.



§3 De opbouw van de Nederlandse verzorgingsstaat (1945-1970)


Opdracht 21
a De Nederlandse economie moest worden hersteld. Bovendien werden er plannen ontwikkeld voor een nieuw sociaal stelsel.
b Keynes wilde de koopkracht van mensen in een tijd van economische crisis handhaven. Dat kon bijvoorbeeld door belastingverlaging, maar ook door nieuwe sociale wetten. Via een stelsel van sociale zekerheid wilde de overheid de particuliere bestedingen stimuleren. Volgens de ideeën van Keynes hebben hogere consumptie-uitgaven een gunstig effect op de economie.
c Voor de oorlog was sociale zekerheid vooral een kwestie van armenzorg. Na de oorlog werd sociale zekerheid een recht voor alle burgers. Bovendien accepteerde de overheid na de oorlog haar verantwoordelijkheid ten aanzien van sociale kwesties.

Opdracht 22
a Met ‘stille’ wordt bedoeld dat de plannen van de overheid door werkgevers en werknemers stilzwijgend werden aanvaard. De ‘sprong voorwaarts’ was het hele pakket maatregelen dat moest leiden tot de wederopbouw van Nederland: centraal geleide loonpolitiek, volkshuisvestingsbeleid, uitbreiding sociale zekerheid, professionalisering van de zorg.
b Het ‘harmoniemodel’ is te vergelijken met ‘poldermodel’ uit de jaren negentig van de 20ste eeuw. In beide ‘modellen’ werden de plannen opgesteld en nageleefd door overheid, werkgevers en werknemers.

Opdracht 23
a Bron 17 werd geschreven ter gelegenheid van de invoering van de Noodwet Ouderdomsvoorziening in 1947. In de bron, een brief uit 1947, wordt minister Drees ‘de vader voor Ouden van Dagen’ (bejaarden) genoemd.
b De situatie van ouderen was slecht. Veel bejaarden waren financieel afhankelijk van hun kinderen. Drees bracht met de Noodwet in deze situatie verandering: ‘Nu behoeven de oudjes niets meer aan hun kinderen te vragen’.
c Alles moest na de oorlog opnieuw worden opgebouwd. De overheid moest in deze moeilijke situatie wel regelend en sturend optreden. Het geld dat door deze strakke economische politiek verdiend werd, kon nu worden gebruikt voor de opbouw van de sociale zekerheid.

Opdracht 24
a De overheid moet gewone burgers helpen als zij door onvoorziene (slechte) omstandigheden worden getroffen.
b Doeve bespot de heilstaat met woorden als ‘Het Rode Paradijs’ en ‘alles voor niets’. Ook gebruikt hij woorden uit het socialisme die een negatieve klank hebben: ‘dirigisme’, ‘staatsdwang’ en ‘staatsalmacht’. Ook de vergelijking tussen een bordeel en een bejaardencentrum is niet erg positief.
c Doeve en Suurhoff zijn allebei bang voor de ‘dreiging’ uit het oosten of het ‘rode gevaar’ (de Sovjet-Unie). In de jaren vijftig was de Koude Oorlog tussen Oost en West op zijn hoogtepunt. De Sovjet-Unie werd vaak als voorbeeld gebruikt om op de gevaren van het socialisme/communisme wijzen.

Opdracht 25
a Het begrip klassenstrijd past er niet bij. Dit begrip gaat uit van een tegenstelling tussen groepen, terwijl de pacificatiedemocratie zoekt naar overeenkomsten en problemen via overleg wil uitpraten.
b De leiders van de partijen bleven tijdens de verzuiling met elkaar in gesprek, waardoor de ‘lieve vrede’ werd bewaard. Dit overleg heeft bijgedragen aan een democratie waarin het bereiken van overeenstemming belangrijker was dan het benadrukken van de onderlinge verschillen, en dit is de kern van de pacificatiedemocratie.
c De katholieke zuil (KVP) en de protestants-christelijke zuil (ARP en/of CHU) waren altijd aanwezig in een kabinet. Hypothese (bijvoorbeeld): de partijen uit de katholieke en protestants-christelijke zuil hebben door hun overlegcultuur een belangrijke rol gespeeld tijdens de pacificatiedemocratie in de jaren vijftig en zestig.

Opdracht 26
a
KVP ARP PvdA VVD
Boodschap? De burger moet baas zijn in eigen huis De AR-gedachte is diep geworteld in Nederlandse bodem Toekomst (van de arbeider) staat centraal Iedereen heeft recht op vrijheid, dus meer woningen
Politieke opvattingen? Beperkte rol van de staat, ook in het gezin Verwijzing naar (protestants-christelijke) wortels van onze samenleving Grote rol van de arbeiders, benadrukken van tegenstelling links (socialisme) en rechts (liberalisme/kapitalisme) Vrijheid van burgers op economisch en politiek terrein
Centraal thema? Sociaal thema (gezin) Politiek Politiek Economie/politiek
Opvallendste kleuren? Rood/geel/groen Groen Geel Oranje

b Het affiche van de PvdA. Dit affiche is vooral gericht tegen andere partijen. De andere affiches benadrukken vooral een thema uit de eigen politieke opvattingen.
De PvdA maakte in 1959 geen deel uit van de regering en was daarom wat kritischer.
c Belangrijker: het (politieke) leven speelde zich in die jaren meer buiten af. Veel andere propagandamiddelen waren er in die tijd ook niet.

Opdracht 27
a Het idee dat de overheid voor alle problemen in de samenleving een oplossing had en dat alles alleen maar beter kon worden. Dit idee had vooral betrekking op de sociale zekerheid, de woningbouw en de economie.
b Voorstanders: burgers die afhankelijk waren van een uitkering (kregen meer zekerheid), bepaalde groepen jongeren (meer kans op goede scholing, invoering studiebeurzen), progressieve vrouwen (overheid moet vrouwen gelijke kansen geven).
Kritische groepen: vooroorlogse generatie, conservatieve partijen (tevreden over behaalde resultaten).
c Dolle Mina was een kritische actiegroep met opvallende acties. Door haar manier van optreden riep Dolle Mina meer kritiek dan instemming op. Acties zoals ‘Baas in eigen buik’ vergrootten de tegenstellingen tussen verschillende bevolkingsgroepen.

Opdracht 28
a Voorbeeldschema:
Bron Opvatting maker bron Feit/mening? Doorwerking in politiek
21 (Schmelzer) Ik kwam op televisie veel te koel over. Dat beeld was niet terecht. Mening Burgers vonden politici minder betrouwbaar, nieuwe partijen werden opgericht.
22 (Van Westerloo) Nacht betekende einde van periode van vernieuwing. Mening/feit Geen terugkeer naar conservatisme, wel einde pacificatiepolitiek.
23 (Opland) Schmelzer is een soort Brutus die premier Cals (Caesar) de doodsteek geeft. Mening Tekening droeg bij aan complottheorie (‘moord was gepland’).
24 (Vondeling) Laten vallen van kabinet-Cals was gepland. Feit/mening Opvatting ondersteunde complottheorie.

b Nee, bron 21 en 24 zijn opmerkingen van politici die direct betrokken waren bij de Nacht van Schmelzer. Je kunt niet goed achterhalen of hun mening gebaseerd is op feiten. Iedereen probeert meestal achteraf gelijk te krijgen.
c Overeenkomsten: de nacht is naar één politicus vernoemd, het kabinet moest aftreden, het was een live-uitzending op televisie, Schmelzer en Wiegel werden allebei afgeschilderd als een soort Brutus.
Verschillen: de Nacht van Wiegel was een actie van één persoon (Wiegel), de Nacht van Wiegel had minder grote gevolgen (het kabinet kon in dezelfde samenstelling opnieuw beginnen), de gevolgen voor de verhouding tussen burger en landelijke politiek was na de Nacht van Wiegel minder groot, Schmelzer was een KVP-politicus, Wiegel is van de VVD.

Opdracht 29
De brief moet de volgende elementen bevatten (afhankelijk van je keuze voor studentenleider of een bejaarde).
– Hoogtepunten: Noodwet Ouderdomsvoorziening (1947), AOW (1957), Algemene Kinderbijslagwet (1963), Algemene Bijstandswet (1965), een grotere deelname van jongeren aan het voortgezet en hoger onderwijs in de jaren vijftig en zestig, voordelen van de pacificatiedemocratie.
– Rol politieke partijen: nuttige discussie tussen de PvdA en de KVP over de vormgeving van de verzorgingsstaat in de jaren vijftig, de acceptatie van een actievere overheidsrol door de KVP, gematigder opstelling van de PvdA en de grote rol van minister-president Drees.
– Schaduwzijden: woningnood bleef aanwezig, toename van lucht- en waterverontreiniging, groeiende kloof tussen politiek en burgers, achterblijven van vrouwen bij het verdelen van de welvaart.
– Conclusie: maak een toekomstvisie als bejaarde of studentenleider waarin je bijvoorbeeld een mening geeft over een van de genoemde punten.



§4 Herziening van de verzorgingsstaat (na 1980)


Opdracht 30
a Nivellering van inkomens, democratisering, verhoging minimumloon, uitbreiding stelsel van huursubsidies.
b Ja en nee; het kabinet had wel een brede basis van progressieve en confessionele partijen, maar de liberalen waren buitengesloten.
c Politici van liberale en confessionele partijen.
Argumenten: er was een enorm begrotingstekort; omdat Den Uyl te veel geld uitgaf, moest er bezuinigd worden op de sociale zekerheid.

Opdracht 31
a Kies uit: bestaande regelgeving klopte niet meer, regels en sociale voorzieningen waren veel te ingewikkeld geworden, verzorgingsstaat was onbetaalbaar geworden.
Je moet je keuze motiveren.
b Tijdens de kabinetten onder leiding van het CDA werd het takenpakket van de overheid verkleind, werd er gekort op tal van uitkeringen en werd er meer verantwoordelijkheid gelegd in handen van individuele burgers en maatschappelijke organisaties.
c 1 stelselherziening
2 bestek
3 deregulering
4 bezuinigen
5 privatisering
6 uitkeringen
7 Wassenaar
8 inflatie
9 verantwoordelijke
10 regels
Kernbegrip: herziening.

Opdracht 32
a Ja, in de ‘verantwoordelijke samenleving’ moeten volgens het CDA ook individuele personen en maatschappelijke organisaties burgers met problemen helpen.
b De tekenaar bespot de gedachte achter de ‘verantwoordelijke samenleving’. Hij vergelijkt het idee met een winteractie van het Leger des Heils die voedsel (‘onverkochte EEG-voorraden’) aan de armen uitdeelt. Mensen die geen hulp willen aannemen, zijn zogenaamd ‘ondankbaar’. De tekenaar wil hiermee zeggen dat niet alle ‘armen’ of ‘hulpbehoevenden’ prijs stellen op publiekelijke ondersteuning (vanwege het stempel dat je dan opgedrukt krijgt).

Opdracht 33
a ‘Paars’ staat voor de partijen die deel uitmaakten van het kabinet-Kok: PvdA (rood), VVD (blauw) en D66 (groen) maken samen paars.
b D66: deze partij wilde altijd vernieuwing in de Nederlandse politiek. Het feit dat PvdA, VVD en D66 zonder het CDA in een kabinet zaten, was uniek in de Nederlandse parlementaire geschiedenis. In dat opzicht was het paarse kabinet een vernieuwing in de Nederlandse politiek.
c De verzorgingsstaat was het huis waarin de burgers veilig en verzorgd konden leven. Vanaf de jaren tachtig verdween een deel van deze ‘luxe’. Het huis van de verzorgingsstaat (= sociale zekerheid) werd gehalveerd; veel onderdelen van de verzorgingsstaat verdwenen of werden ingekrompen.

Opdracht 34
a – Jongeren vinden het moeilijk om politieke keuzen te maken:
‘Maar ik heb totaal geen verstand van politiek’, ‘... maar bijna geen lijstrekker reageert inhoudelijk’, ‘... kies ik voor campagne en de lijsttrekker of kies ik voor het partijprogramma?’
– De beeldvorming van politieke partijen wordt bepaald door de audiovisuele media:
‘... ik wil de informatie via de audiovisuele media tot me kunnen nemen’, ‘Neem de televisiedebatten. Heftige woordenwisselingen …’
– Er was veel kritiek op het paarse beleid:
‘Ik wil niet te veel belastingen en accijnzen betalen’, ‘... beter toezicht op asielzoekersbeleid ...’
b Bijvoorbeeld: bron 26 is het meest geschikt omdat daarin de meeste feitelijke argumenten worden genoemd.

Opdracht 35
a Deelvraag 1: De bestaande sociale wetgeving sloot niet meer aan bij de nieuwe samenlevingsvormen, de regels waren te ingewikkeld geworden, de verzorgingsstaat was onbetaalbaar geworden (door hoge werkloosheid, vergrijzing en toename WAO’ers).
Deelvraag 2: Via inkrimping van de overheid, deregulering (minder regels), privatisering van overheidstaken, bezuinigen op uitkeringen, individuele burgers en maatschappelijke organisaties meer taken geven op het terrein van de zorg.
Deelvraag 3: Sommige politici vonden dat het poldermodel de besluitvorming had vertraagd en de afstand tot de burgers had vergroot. Er kwamen nieuwe partijen (Leefbaar Nederland en Lijst Pim Fortuyn) die profiteerden van de onvrede onder burgers.
b In bijna alle advertenties worden producten aangeboden die men wil ruilen voor andere goederen.
c Bijvoorbeeld in plaats van advertentie 5: ‘Computerreparatie of upgraden vanaf € 30. Reparateur komt bij u aan huis. Ook adviezen over aankoop van nieuwe computer.’
d Bijvoorbeeld in plaats van advertentie 3: ‘Boelenhal haalt oude meubels bij u op. Tevens te koop goede stoelen en tafels tegen een lage prijs. Een koopje in deze tijd van economische crisis! Zeer geschikt voor organisaties met weinig geld, bijvoorbeeld jongerencentra of clubhuizen.’

Opdracht 36 (Onderzoeksopdracht: ‘Kritiek via het lied’)

Opdracht I
a Er waren rond 1900 niet veel mogelijkheden om kritiek op de overheid te leveren. Kritiek via krant of boek was mogelijk, maar lang niet alle Nederlanders konden in die tijd lezen. Liedjes kon je bovendien overal zingen.
b Binnenlandse politiek: schoolstrijd, eerste vrouw in de Tweede Kamer.
Economie: gevolgen Eerste Wereldoorlog, de achturendag.
Sociale misstanden: positie van de arbeiders, woningnood.
c Het kritische lied werd vooral gebruikt om commentaar te leveren op nieuwe ontwikkelingen in de samenleving of op zaken die in het nadeel waren van de gewone man/vrouw.

Opdracht II
a Achtergrondinformatie bij de zangers/schrijvers.
Lied A: J.H. Speenhoff (1869-1945) was een van de grondleggers van het Nederlandse cabaret. Hij had veel kritiek op bijvoorbeeld vegetariërs en geëmancipeerde vrouwen.
Lied B: Jacques van Tol was in de jaren twintig en dertig een bekend tekstdichter maar tijdens de oorlog als schrijver en cabaretier actief voor de pro-Duitse NSB. Louis Davids (1883-1939) was Nederlands eerste popster. Iedereen kende zijn liedjes. Rido was een artiestennaam van Philip Pinkhoff.
Lied C: Friso Wiegersma schreef veel bekende liedjes in de jaren vijftig en zestig. Wim Sonneveld (1917-1974) behoorde met Wim Kan en Toon Hermans in de jaren zestig en zeventig tot de topdrie van cabaretiers in Nederland.
Lied D: Harrie Jekkers was de zanger van popgroep het Klein Orkest en maker van het beroemde lied ‘Over de Muur’ (1984). Is later als cabaretier solo gegaan.
b Lied A (De vrije vrouwen)
– Inhoud: De vrije vrouwen worden beschreven als halve vrouwen, broodmagere vrouwen en vrouwen die wereldpolitiek belangrijker vinden dan kinderen krijgen.
– Historische informatie: Uit de tekst blijkt dat (veel) mannen weinig moesten hebben van de vrije vrouwen; een vereniging van vrouwen die rond 1910 opkwam voor gelijke rechten van vrouwen, vooral op het terrein van kiesrecht. Deze vrouwen gedroegen zich volgens veel mannen niet als gewone vrouwen.
– Visie van de schrijver: ‘vrije vrouwenbende’, ‘’t zijn geen vrouwen’, ‘de stumper’, ‘lopend stuk rookvlees’, ‘de vrije vrouwenkliek’, ‘hoor ze lallen’, ‘stakkers’, ‘zo’n meubel’, ‘een bokkie of een geit’.
– Doel: Het lied is geschreven om kritiek te geven op de vrije vrouwen en hun handelwijze.
– Betrouwbaarheid: Het lied geeft een redelijk betrouwbaar beeld van de opvatting (van mannen) over geëmancipeerde vrouwen rond 1900. De meeste mannen vonden dat vrouwen vooral thuis bij het gezin moesten blijven en geen taak in de politiek hadden.
Lied B (De kleine man)
– Inhoud: Het lied beschrijft hoe de gewone burger altijd de pineut is. De rijken worden rijker, de armen kunnen gewoon hun hand ophouden, de politici kunnen elkaar uitschelden, maar de kleine man moet altijd maar doorgaan.
– Historische informatie: Het lied beschrijft de gevoelens van onvrede onder de gewone burgers in Nederland omstreeks 1929. De gewone mensen wilden orde en gezag, werkten hard en hadden daardoor kritiek op de rijken en voelden zich bedreigd door mensen die niet werkten maar wel geld kregen. Veel van deze ontevreden ‘gewone mannen’ stemden later op de NSB.
– Visie van de schrijver: ‘raar gesteld’, ‘betaalt steeds het gelag’, ‘altijd onder Jan’, ‘slampampers’, ‘de dupe’.
– Doel: Onvredegevoelens onder de gewone burgers vertolken en afgeven op de rijken en de ‘slampampers’.
– Betrouwbaarheid: Het lied geeft een goed beeld van de onvredegevoelens onder de gewone burgers rond 1930. Die onvrede kwam enige jaren later tot uitdrukking in de opkomst van de ondemocratische NSB. Die partij kwam op voor orde en gezag en koos later de kant van Duitsland.
Lied C (Het dorp)
– Inhoud: Het lied beschrijft de veranderingen in een dorp. Vroeger was alles nog knus en overzichtelijk. Veel dingen zijn daarna gemoderniseerd: vervoer, televisie, interieur van de huizen, de muziek.
– Historische informatie: Het lied bepreekt (en bekritiseert) aspecten van modernisering op het platteland in de jaren vijftig en zestig.
– Visie van de schrijver: ‘dat het nooit voorbij zou gaan’, ‘blijkbaar leefden ze verkeerd’, ‘betonnen dozen’, ‘joelt’, ‘melancholiek’, ‘het is voorbij’.
– Doel: Uitdrukken dat niet elke vorm van modernisering een verbetering is. Waardering tonen voor (oudere) mensen die moeite hebben met vernieuwingen op het platteland.
– Betrouwbaarheid: Het lied geeft een betrouwbaar beeld van veranderingen op het platteland in de jaren vijftig en zestig. Veel mensen – vooral jongeren - vonden die veranderingen echter niet verkeerd en waren niet gediend van deze romantiek.
Lied D (Koos werkeloos)
– Inhoud: Het lied gaat over Koos die werkeloos is. Hij vindt die situatie prima, ook al wil zijn omgeving dat hij werk gaat zoeken. Koos heeft daarentegen kritiek op mensen die met hun ellebogen werken of korten op de minima.
– Historische informatie: Het lied gaat over de hoge werkloosheid en geringe kansen voor mensen om aan werk te komen de jaren tachtig. In die jaren werd ook flink gesneden in de verzorgingsstaat, onder andere door de werkloosheidsuitkeringen te verlagen.
– Visie van de schrijver: de schrijver heeft kritiek op Koos (de werkloze) omdat hij niet wil werken, maar ook op mensen die kritiek op werklozen hebben (maar ondertussen wel hun zakken vullen of de uitkeringen verlagen).
– Doel: De situatie van werklozen op een humoristische manier weergeven en de schijnheiligheid van critici aan de kaak stellen.
– Betrouwbaarheid: De houding van werklozen wordt overdreven; het merendeel wilde gewoon werken. Het vooroordeel ten opzichte van werklozen klopt wel. Ook de bezuinigingen van de (Haagse) overheid waren in de jaren tachtig een feit.
c Bepaal de actualiteit van de door jou gekozen liedjes.

Opdracht III
– Voor een eigen songtekst is de website www.songteksten.pagina.nl is een goed startpunt.
– Kies voor je songtekst een actuele situatie. Ter beoordeling van je docent.



§5Nederland en de Europese samenwerking (na 1945)


Opdracht 37
a In de eerste jaren na de oorlog wilden de Europese landen hun eigen economie weer opbouwen. Bovendien was er in Europees verband vooral aandacht voor de politieke, militaire en economische stabiliteit in de regio (Koude Oorlog). Het sociale beleid in Europa kwam daardoor in de beginfase op het tweede plan.
b De Europese Akte van 1987: arbeidsmilieu verbeteren, voor meer veiligheid en gezondheid voor werknemers.
Sociaal handvest van 1989: basis voor gelijke sociale stelsels in de EU-lidstaten.
c Het niveau van sociale zekerheid van de EU-landen loopt sterk uiteen. De voorlopers op dit terrein willen hun zekerheden niet opgeven ten bate van de achterlopende (vooral Zuid-Europese) landen. Er is vaak een groot verschil tussen wat Europa wil en wat de nationale parlementen willen.

Opdracht 38
a Deze bron lokt discussie uit over het democratische gehalte van Europa en is daarom subjectief. De bron kan desondanks een bijdrage leveren aan de discussie over het tempo waarin Nederland in Europa moet integreren.
b Bron 30 komt uit een voorlichtingsfolder. Meestal wordt in zo’n folder de situatie mooier voorgesteld dan ze in werkelijkheid is, maar in deze folder wordt toegegeven dat de beslissingen in de EU niet altijd democratisch worden genomen. In de folder zal worden gesteld dat Europa op de goede weg is.
c Alle belangrijke beslissingen worden door hoge nationale of Europese politici genomen. Burgers hebben geen directe zeggenschap en dat wordt het ‘democratisch tekort’ genoemd.

Opdracht 39
1 supranationale
2 intergouvernementele
3 Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS)
4 Euratom (Europese Atoomenergie Gemeenschap)
5 Parlement
6 vetorecht
7 Europese Commissie
8 Hof van Justitie
9 Rekenkamer

Opdracht 40
a De negen landen met een karikaturaal beeldelement: Frankrijk (fles wijn, sigaret in mond), Duitsland (lederhose, dikke sigaar), Italië, België, Nederland (klompen, kaas), Luxemburg, Groot-Brittannië (bolhoed, paraplu), Denemarken (vikinghelm), Ierland.
b Uit Groot-Brittannië: de persoon staat in het midden, ziet er redelijk sympathiek en normaal uit en probeert de rest (een vrijgevochten bende) op een afstand te houden.
c Nee, bron 31 is geen goed uitgangspunt. Met de Europese eenwording ging het juist na 1978 de goede kant op. Die ontwikkeling is niet van bron 31 af te lezen, omdat de negen landen elkaar in deze bron naar het leven staan en weinig eensgezindheid tonen.


Afsluiting


Opdracht 41
‘Overheid en sociale zekerheid in Nederland vanaf 1850’
Nederland was tussen 1850 en ongeveer 1900 een nachtwakersstaat. De (liberale) overheid zorgde vooral voor rust en orde. Rond 1870 ontstonden er politieke partijen. Niet alleen rijke mannen, maar ook andere groepen burgers (arbeiders, confessionelen, vrouwen) eisten inspraak. Nieuwe wetgeving op het terrein van het kiesrecht en de sociale zekerheid was het gevolg van het mondig worden van de burgers. Na 1900 werd de overheid steeds meer verantwoordelijk voor het welzijn van de burgers. Vanaf 1919 was politieke besluitvorming een zaak van alle burgers in Nederland. In dat jaar werd het algemeen kiesrecht ingevoerd. Tussen 1900 en 1930 werd ook voorzichtig begonnen met sociale wetgeving. Na 1945 ontwikkelde Nederland zich pas echt tot een verzorgingsstaat. Sociale zekerheid werd nu een recht van alle burgers. De overheid erkende haar sociale verantwoordelijkheid en was actief betrokken bij de invoering van belangrijke sociale wetten (AOW, Kinderbijslagwet, Algemene Bijstandswet). Vanaf de jaren tachtig werd onder invloed van een economische crisis de verzorgingsstaat voor een deel afgebroken. Werkgevers, werknemers en overheid konden goed met elkaar overweg en besluiten werden in harmonie genomen (‘poldermodel’).
In 150 jaar heeft Nederland veel bereikt op het terrein van de sociale zekerheid. Door de onbetaalbaarheid is de overheid nu gedwongen om een stapje terug te doen. Hopelijk blijft een basisvoorziening bestaan en gaan we op het terrein van de zorg niet anderhalve eeuw terug in de tijd.

Opdracht 42
a De basisgroepen maken een tijdsplanning en een taakverdeling.
b-e
Hoofdvraag 1 Hoofdvraag 2 Hoofdvraag 3
1850-1900 Nederland is een liberale staat; overheid is soort nachtwaker; sociale wetgeving beperkt tot Wet op de Kinderarbeid en Arbeidswet. Geringe invloed van de (liberale) overheid, positie van nachtwaker; minimale sociale wetgeving; kiesrecht voor klein aantal mannen; toestaan van politieke partijvorming. Tweede Kamer rechtstreeks gekozen en vrijheid van vereniging (vanaf 1848); uitbreiding stemrecht onder mannen; opkomst politieke partijen; invloed via parlementaire onderzoeken.
1900-1930 Begin systeem van werknemersverzekeringen; werkgevers en behoudende partijen tegen grotere invloed overheid. Toename overheidsinvloed; eerste sociale wetgeving voor werknemers; algemeen kiesrecht in 1919; politiek is verzuild. Uitbreiding kiesrecht; nieuwe actiemiddelen (staking, petitionnement); ontstaan van vakbonden; districtenstelsel wordt systeem van evenredige vertegenwoordiging; politiek is verzuild; ontstaan van pressiegroepen buiten de politiek.
1945-1970 Actieve overheidspolitiek; opbouw verzorgingsstaat (Noodwet, AOW, Algemene Kinderbijslagwet, Algemene Bijstandswet, studiefinanciering, huursubsidie). Actieve rol overheid bij opbouw economie en sociale zekerheid, politiek is verzuild. In wederopbouw ondergeschikte rol gewone burger; Nederlandse Volksbeweging mislukt; oude zuilen keren terug; besluitvorming zaak van gezagsdragers (pacificatiedemocratie); jongeren worden mondiger door meer scholing; opkomst nieuwe partijen in jaren zestig; vrouwen eisen gelijke rechten (MVM, Dolle Mina).
Vanaf 1980 Einde verzorgingsstaat (te duur, onbeheersbaar); deregulering en privatisering; overheid wordt weer toezichthouder. Overheid geeft meer invloed aan particuliere initiatief en maatschappelijke organisaties; verzorgingsstaat wordt afgebroken. In zorgsector meer ruimte voor particulier initiatief; enorme groei buitenparlementaire organisaties; onder Lubbers en Kok vooral overleg in toporganen (‘poldermodel’); ontevreden burgers komen met nieuwe partijen (LN, LPF).
Nederland en de EU na 1945 Deelname aan sociaal actieprogramma (1974), Europese Akte (1987), Sociaal Handvest (1989). Deelname aan Europese sociale wetgeving; Europees Parlement vanaf 1979 rechtstreeks gekozen. Sociaal Handvest blijft vooral theorie; ‘democratisch tekort’ ondanks rechtstreekse verkiezing Europees parlement; vooral besluitvorming tijdens ‘top’ van regeringsleiders.

Studiewijzer 5 havo periode 1

Studiewijzer 4 havo: Periode I

Stof voor SO
1. Hoofdstuk 4: Land van Duizend Meningen, oriëntatie +paragraaf 1 t/m 3
2. China, herhaling vorig jaar. Oriëntatie, paragraaf 1, 2 ,3, 4

Vragen en antwoorden:In de les bespreken we enkele vragen, maar lang niet alles. Je kunt zelf de vragen nakijken middels de bekende antwoordmappen. Van tevoren geef ik op welke vragen we bespreken. DOE DIT HEEL ZORGVULDIG. We gaan namelijk veel aandacht besteden aan scherp formuleren, een belangrijke vaardigheid voor het Schoolonderzoek.

24-28 sept:
Uitleg gevolgen Thorbecke 1848, Schoolstrijd, Aprilbeweging, Sociale kwestie.
Verzuiling: ideeën en doelstellingen per zuil.
Informatieboek hoofdstuk 4, paragraaf 1
Onderzoeksboek: 5, 6 (klassikaal!!!), 7, 8, 9 (klassikaal), 10

1 oktober-5 oktober:
Uitleg: verdieping kennis over Verzuiling.
Informatieboek hoofdstuk 4, paragraaf 1
Onderzoeksboek: 11, 12, 13

8 okt-12 oktober
Paragraaf 2: Pacificatie van 1917, Algemeen Kiesrecht. (Interbellum niet)
Vragen bespreken paragraaf 1 afronden.
Onderzoeksboek: 15, 17 (klassikaal)

15-19 okt:
Uitleg: begin Nederland na na WO II – jaren zestig
Nadruk op: opbouw Verzorgingsstaat, kritiek op gezagsdragers, Ontzuiling, jeugdcultuur, generatieconflict.
Video: Nederland na WO II (vier delen, GS22 ev.), deel over jeugdcultuur
DVD: Oproerkraaiers. Over Provo.
Tekst: voorlezen uit de Rattenkoning van Harry Mulisch.
Informatieboek: paragraaf 3.
Onderzoeksboek: 21, 23, 24 (klassikaal), 25, 26 (klassikaal), 27

22-26 oktober Herfstvakantie.
- Bestuderen van China. Niet uitstellen!!! Na de vakantie mag je vragen stellen over China. Ik ga niet het hele hoofdstuk herhalen. Je kunt me ook je samenvatting voorleggen van China.

29- oktober – 2 novVerder met jaren zestig. Afronden.
Onderzoeksboek: 25, 26 (klassikaal), 27


5 nov: SCHOOLONDERZOEKEN.

woensdag 5 september 2007

Extra materiaal (internet enz.)

De canon
Wat iedere Nederlander dient te weten over de Vaderlandse geschiedenis.

Extra materiaal:Toneelstuk Stemhokje van Herman Heijermans over Verzuiling en Schoolstrijd. Rollenspel. Uit te voeren in de klas.

Over de Schoolstrijd
http://geschiedenis.vpro.nl/programmas/2899536/afleveringen/8240117/
Geen beeldmateriaal uit de tijd zelf. De korte docu laat goed zien welke uitwerking de schoolstrijd heeft gehad op heden, niet in de laatste plaats omdat de uitkomst van de schoolstrijd tot de grondwetswijziging leidde die vooral bij de liberalen (Hisrhi Ali, Wilders) zo onder vuur heeft gelegen.

Troelstra’s tragedie:
- http://geschiedenis.vpro.nl/programmas/2899536/afleveringen/24077155/
Valt net buiten de toetsstof omdat het boek vreemd genoeg geen melding maakt van deze veelzeggende gebeurtenis. Maakt wel goed duidelijk wat de socialisten willen en het onderstreept nog eens hoe bang de andere zuilen waren voor het rode gevaar. In 1918 wilde Troelstra in navolging van Rusland en Duitsland de Revolutie uitroepen. Oranjegezinden en het leger verhinderden dat.

Abraham Kuyper en de lintjesaffairehttp://geschiedenis.vpro.nl/programmas/2899536/afleveringen/2877648/
Geeft info over de leider van de ARP en hoe hij door een omkoopschandaal ten val kwam.

Religieuze conflicten in de negentiende eeuw: de processiekwestie.
In 1848 kwam er een verbod op katholieke processies. De protestanten hadden een hekel aan dat paapse geshow. Volgens de spreker in dit radioprogramma lligt in de processiekwestie het begin van de Verzuiling.
- http://geschiedenis.vpro.nl/programmas/3299530/afleveringen/2360898/items/7402561/


Goeman Borgesius: vader van de verzorgingstaatEen liberaal die je nu eerder een socialist zou noemen. Heeft een paar jaar geleden nog als inspiratie gediend voor dissidentie VVD’ers die hun partij weer een sociaal gezicht wilden geven. Radioprogramma OVT.
http://geschiedenis.vpro.nl/programmas/3299530/afleveringen/15336394/items/16067870/


Tijdbalk Nationaal Archief: http://www.nationaalarchief.nl/vitrine/hoogtepuntentijdbalk/hoogtepunten_tijdbalk.html

Prenten, Geheugen van Nederland.
- De Nederlandse arbeidersbeweging tot 1918 (http://www.geheugenvannederland.nl/gvnNL/handler.cfm/event/onpage/pageID/883D234E-69A0-4013-9FED-842F26F87EAE/collectionid/728AE24D-9468-457D-8634-90F2DEB15E3F)



De Jaren zestig

Docu De Wilde Jarenhttp://web.teleblik.kennisnet.nl/tb_publiek/vo/zoekresultaten.jsf
wachtwoord kun je bij Ted vragen.

Nederland 1848-nu. Inleiding en leerstof

Denkend aan Nederland (versie vwo. Aanpassen!!)

Nederlandse geschiedenis is weer helemaal in. Volgens onze roerganger Balkenende moeten we een voorbeeld nemen aan de ondernemingsgeest van de VOC (met of zonder slavernij werd niet helemaal duidelijk), Marijnissen pleit voor een nationaal museum om ons een anker te geven in deze roerige tijden en in de discussie over het multi-culturele Nederland heeft Pim Fortuyn het ‘spruitjesnationalisme’ weer op de agenda gezet. De ‘buitenlander’ moet kennis maken met hutspot, haring, de slag bij Nieuwpoort en pepernoten om zich hier thuis te voelen. Sinds een paar weken heeft Nederland ook een huize canon met een staalkaart van wat elke Nederlander van ‘zijn’ verleden moet weten.
Reden tot een juichstemming? Wordt geschiedenis nu eindelijk eens serieus genomen? Is geschiedenis dan toch meer dan dat vak met leuke verhaaltjes en liefst veel video? Misschien wel. Misschien ook niet.

In de behandeling van de geschiedenis van Nederland van 1848 tot nu wil ik de vraag naar het nut van Nederlandse geschiedenis nadrukkelijk stellen. Politieke leiders menen dat kennis van ons verleden bijdraagt tot gemeenschappelijke waarden, een gevoel van bij elkaar horen, een Nederlandse identiteit. Hierover zijn politici van divers pluimage als Geert Wilders en Jan Marijnissen het wél eens. Kennis van Nederlandse geschiedenis wordt zo niet alleen een instrument om Nederlanders bij elkaar te brengen, maar ook een oplossing voor het multi-culturele drama (denk aan de inburgeringcursus). Kennis van het verleden zou ons volgens Marijnissen ook helpen bij het beter begrijpen, ja, zelfs oplossen van hedendaagse problemen. De Verzorgingsstaat, de multi-culturele samenleving, de Nederlandse normen en waarden (fatsoen moet je doen) hebben allemaal hun geschiedenis. Laten we er wat mee doen!
Maar het is de vraag of geschiedenis zo makkelijk voor het karretje te spannen valt. Hopelijk zullen we in de behandeling van Neerlands verleden bemerken dat het allemaal wat complexer ligt. Het nadeel van geschiedenis is dat als je je erin verdiept blijkt dat er nooit een Nederlandse eenheid heeft bestaan, dat er altijd strijd en onenigheid is geweest, dat het ‘spruitjesnationalisme’ berust op een grove vertekening die eerder thuishoort in een sprookjesboek waar fiere, tolerante, verlichte Nederlanders rondstappen als hadden ze net alle trots geposeerd voor Rembrandts Nachtwacht.
Waarom dan geschiedenis? Allereerst om het misbruik van geschiedenis aan de kaak te stellen. Mensen die klakkeloos een tegenstelling poneren tussen ‘Nederlander’ en ‘buitenlander’ doen er goed zich eerst eens af te vragen wat een ‘Nederlander’ dan precies is. Politici die heel goed menen te weten wat de essentie van de Nederlandse geschiedenis en de Nederlandse identiteit inhouden, blijken doorgaans een wel heel povere, eenzijdige kennis van het verleden te bezitten. Belangrijk is ook regelrechte geschiedvervalsing ten bate van politiek gewin te ontmaskeren. Maar belangrijkste misschien toch wel is dat kennis van de geschiedenis een doel in zichzelf is. In het redelijk geniale rapport bij de canon van Nederland distantiëren de hooggeleerde schrijvers zich van enige politiek misbruik van de geschiedenis. Kennis is een doel op zich. Geen economisch instrument. Geen instrument tot burgerschap en inburgering. Zoals de oude Griek Aristoteles al vaststelde: ‘ieder mens heeft het verlangen te weten’. Een hoger doel bestaat niet. Laten wij dus de geschiedenis van Nederland leren kennen omwille van het kennen zelf.







Nederland 1850 - nu

Wenken bij het leren:

Stof uit het boek:
Hoofdstuk 3 – paragraaf 1
Hoofdstuk 10 – paragraaf 1 en 3

De stof uit het boek dient als uitgangspunt voor de toetstof. Om die lesstof tot leven te brengen gaan we veelvuldig gebruik maken van de enorme rijkdom die het Internet biedt op het gebied van de Nederlandse geschiedenis. Je kunt jezelf een enorme dienst bewijzen daar ook thuis achter de computer te duiken en documentaires te bekijken. Je kunt ook je voordeel doen met het lezen van boeken over Nederlandse geschiedenis. Bijvoorbeeld, ´De eeuw van mijn vader´ van Geert Mak.

Hoofdstuk 3, paragraaf 1:

In 1848 begint de moderne geschiedenis van Nederland. Zoals altijd is de Franse Revolutie weer van doorslaggevend belang. Liberalisme en socialisme, democratie en rechtstaat, emancipatiebewegingen en secularisering vinden daar hun inspiratie. De liberaal Thorbecke zet met ‘zijn’ grondwet de koning buitenspel (Franse Revolutie!!). Hiermee wordt een begin gemaakt met de vorming van een democratisch bestel met een parlement en verschillende politieke stromingen. Ook ontstaat er meer vrijheid en gelijkheid voor verschillende bevolkingsgroepen. De katholieken, die sinds de Opstand tweederangs burgers zijn geweest, kunnen nu, met dank aan de liberalen, hun onliberale gedachtegoed vrij in de praktijk brengen. De arme klassen hadden nog weinig te zeggen. Alleen de rijken hadden namelijk kiesrecht.

Uitleg in de klas:
Nederlandse Opstand (Vooral van belang vanwege anti-monarchale en revolutionaire karakter, particularisme (poldermodel!), handel, achterstelling katholieken ondanks relatief hoge tolerantie).
Franse Revolutie. Vrijheid (liberalisme), Gelijkheid (socialisme) en broederschap (nationalisme).
Ontstaan van rechts en links in de politiek.
Tegen de feodale maatschappij. Weg met adel en geestelijkheid.
Volkssoevereiniteit en eenheidsstaat (grondwet voor het hele land).
In Nederland: patriotten tegen prinsgezinden (Oranje).
1815: Begin Koninkrijk der Nederlanden. Bevoegdheden Willem I gaan tegen Franse Revolutie in. Eenheidsstaat blijft.
1848: Herhaling 1789. Revolutie begint weer in Frankrijk. In Nederland gematigde uitwerking. Willem I verandert in één nacht van conservatief naar liberaal (zie p. 72 boek).
Grondwet Thorbecke. Zie p. 73. Leer de belangrijkste uitgangspunten.





Ontstaan politieke stromingen (p. 74-75 en p. 236-241 en twee hete hangijzers: Schoolstrijd (p. 75, 76) Sociale kwestie (p. 77-80)
Oplossing, of beter: compromis in de pacificatiedemocratie (p. 241 paragraaf 1.2.5 en p. 80).

Politieke stromingen. De 4 zuilen van de Verzuiling.
1) Liberalen / conservatieven

2) antirevolutionairen (ARP) /protestanten

3) Katholieken.

4) Socialisten

Per zuil weten:
- wat zijn de doelstellingen (uitleg in de klas: emancipatietheorie en anti-moderniteit)
- waar komt de inspiratie voor de ideologie vandaan?
- wie zijn hun vijanden en waarom?
- Interne spanningen binnenin de zuil.
- Culturele kenmerken (vooral in hfst 10). Kleding, liederen, manieren van samenkomen, leiders.

Schoolstrijd:
Wat is de inzet?
Standpunt van elk van de zuilen.

Sociale kwestie
Wat is de inzet?
Standpunt van elk van de zuilen (ook verschillende meningen binnen de zuil kennen).

Uit het vragenboek:
Hoofdstuk 3:
Lees bron 1 (!!!) en de Oriëntatie. De hoofdvragen moet je allemaal kunnen beantwoorden voor het SE.
Opdrachten: 5, 6 (met een sneer naar Marijnissen), 7 (schema stromingen, handy), 8, 9, 11

Hoofdstuk 10:
Lees bron 1 en 2 en de orientatie.
4 (belangrijk), 5, 6 (moeilijk), 7, 8, 9 , 11 (goede oefeing in bronnenkritiek).

Profielwerkstuk: de eerste stap

Lets get started.In je handleiding voor het profielwerkstuk staat een schat aan informatie waar je zeker je voordeel mee moet doen voor het maken van een goed werkstuk. Maar zoals een beroemd Chinees spreekwoord zegt: een reis van 10.000 kilometer begint met de eerste stap. Wat is die eerste stap?
Nu je hebt al een partner en een docent dus dat is geregeld. De volgende stap is:

1. Mailen naar tondemunck@hotmail.com. We gaan veel via de mail doen. Dat werkt handig, efficiënt enz.

2. In de eerste mail wil ik een voorstel voor een onderwerp (maximaal 3 mogelijke onderwerpen). Denk daarbij aan de volgende zaken:
- Je moet het onderwerp zelf boeiend vinden (lijkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet).
- Je moet het onderwerp zo klein mogelijk maken, met andere woorden: afbakenen.
- Je moet een duidelijke vraag hebben die je wilt onderzoeken. Dus niet: ik schrijf een werkstuk over Caesar, maar: om welke redenen en hoe werd Caesar vermoord?
- Je moet nagaan of je daarvoor geschikte bronnen kan vinden.
- Het is altijd een goed idee naar de bibliotheek te gaan om daar inspiratie op te doen.
NB: wees origineel. Alles is mogelijk, van de geschiedenis van McDonalds tot een analyse van een werk van Plato, van de dode zee rollen en de Davinci Code tot een Hollywoodverfilming van de Gladiator tot aan Madonna enz.. Alles staat of valt echter met een goed plan.

Dit is echt nog een losse schets. Op basis van dat voorstel ga ik jullie verder helpen, boeken en bronnen (film, op internet enz) aanraden, de vraagstelling aanscherpen, suggesties geven voor het afbakenen van het onderwerp.

3. Na wat heen en weer gemail komen we tot een onderwerp en een vraagstelling. DIT MOET VOOR DE PROFIELWERKSTUKDAG (5 havo 19 september, 6 vwo 20 september) gebeurd zijn. Zodoende kun je op 19/20 september al keihard aan de slag.